Ontwikkelingsfases jeugdspelers F 9.1 (mini-) F-PUPILLEN: WIE ZIJN DAT? (leeftijd 5 – 6 jaar)
Laatste nieuws Heb je iets te melden of wil je een verslag sturen?
Klik hier voor meer informatie
27feb
Fc Harlingen Voetbalplaatsjesspaaractie: Spaar je Eigen Voetbalheld of Heldin!

Spaar nu je eigen voetbalheld of heldin in het exclusieve… lees verder

26feb
VR1 verliest thuiswedstrijd maar voor Jana komt een droom uit!

  Dromen worden werkelijkheid bij fc Harlingen! Pupil van de… lees verder

22feb
fc Harlingen Vrouwen 1 ontvangt de Zwaluwen

  Na twee afgelaste wedstrijden is het aanstaande zaterdag weer… lees verder

meer nieuws

Ontwikkelingsfases jeugdspelers F

 
Inhoudsopgave

Leeftijdsspecifieke kenmerken, (mini-)F-Pupillen
De trainer en de ouders
Einddoelen leeftijdscategorie (mini-)F pupillen
 

Leeftijdsspecifieke kenmerken, (mini-)F-Pupillen
(mini-)F-pupillenvoetbal is voor kinderen in de leeftijd van vijf tot acht jaar. Deze groep heeft een aantal algemeen geldende leeftijd typische kenmerken. Dit wil zeggen dat ze opgaan voor het merendeel van de doelgroep.

• De kinderen hebben een grote speldrang. Ze doen de dingen om het plezier-van het -doen. anders gezegd: voor hen zijn bewegen en spelen hetzelfde. Spelen is het doel. (de doelstelling van de trainer is anders. Voor hem is spelen een middel om tot ontwikkeling te komen.)
• De kinderen hebben een drang tot nabootsen. Elke nieuwe beweging/voetbalhandeling ontstaat uit een (goed) voorbeeld van de trainer of wat ze van hun idolen hebben gezien.
• De kinderen hebben een groot uithoudingsvermogen. ze kunnen veel in een relatief kort tijdsbestek. Geef veel beurten, zodat ze al herhalend leren. Rustmomenten moeten wel tijdig worden ingelast.
• De kinderen zijn snel afgeleid. Het voorbeeld van de luchtballon is exemplarisch. De bal is dan voor even helemaal niet interessant meer. Het enige dat de trainer kan doen, is erbij gaan liggen en meegenieten met de kinderen. Een redmiddel is om de link te leggen tussen de vorm van de ballon en een voetbal, in de hoop dat de kinderen snel de draad weer willen oppakken.
• De kinderen kunnen zich maar een korte tijd richten op eenzelfde (uitdagende) activiteit. Hun zogenaamde spanningsboog bedraagt maximaal vijftien tot twintig minuten.
• De kinderen zijn gericht op zichzelf. De jongste (mini-) F-pupillen zijn hun kleutertijd nog niet helemaal ontgroeid en hebben in zich om alles op zichzelf te betrekken. Dit egocentrisme (“ik en de bal”, en “ik en de wereld” etc.) is een natuurlijk ontwikkelingsproces en gaat vanzelf over. (Dit is overigens niet te verwarren met egoïsme dat in een later stadium de kop op kan steken).
• De kinderen hebben nog weinig gevoel om dingen samen te doen. Op het eerste gezicht lijken ze wel samen te werken, maar de schijn bedriegt. Wanneer – over een langere periode – hun spelgedrag nauwkeuriger wordt bekeken, dan wordt duidelijk dat ze naast elkaar tegelijkertijd, onafhankelijk van elkaar, dezelfde dingen doen.
• De kinderen zijn nog niet in staat om aanwijzingen, gericht ‘op hun lijf’, om te zetten in daden. Tips, zoals ‘standbeen naast de bal’, ‘opendraaien na een balaanname’ snijden (nog) geen hout en moeten dan ook voorlopig worden vermeden.
• Wanneer een bal in het spel is, leidt dit tot een gevecht om het kleinood. En een maal in balbezit, blijkt het toch heel lastig om die bij je te houden. Het motto is: “Ik en de bal”. De eerstgenoemde kenmerken komen hierin tot uiting.
Zoals gezegd gaan deze kenmerken op voor het ‘gemiddelde’ kind in deze leeftijd, zowel voor de jongens als de meisjes die gezamenlijk deel uit kunnen maken van een spelersgroep!

De fase waarin deze kinderen (vijf tot negen jaar) verkeren wordt door de KNVB de pupillenfase genoemd. Ze staan nog aan het begin van hun voetballoopbaan en moeten alles nog (spelenderwijs) leren.

De trainer en de ouders
Niet alleen de kinderen, maar ook de volwassenen zijn aanwezig (op het speelveld en in de kleedkamer) en hebben daar een belangrijke taak. Gelukkig volgen sommige ouders het voetballen van hun kind. Hun enthousiasme is erg belangrijk voor de voetbalbeleving van kinderen.
Veel ouders houden het echter niet bij aanmoedigingen. de kinderen worden al snel een verlengstuk van de beleving van hun ouders. Aanmoedigingen worden aanwijzingen, en voordat iemand het in de gaten heeft, staan er twee keer zoveel trainers langs de lijn als voetballers in het veld.
Daarnaast is voor een aantal ouders de uitslag van de wedstrijd en de stand op de competitieranglijst belangrijker dan het plezier en de vooruitgang in het voetballen van de kinderen.
Vanuit deze gedachte kunnen de ouders zich op allerlei manieren gaan bemoeien met het voetballen. Zij kunnen proberen om invloed uit te oefenen op het hanteren van de spelregels en daarmee het resultaat van de wedstrijd.
Zowel voor trainers als voor ouders geldt: zij zijn medeverantwoordelijk voor het plezier van het eigen team en het team van de tegenpartij!
Voor de trainer is de belangrijkste, maar tevens zeer moeilijke taak weggelegd om ouders duidelijk te maken welke rol zij tijdens de wedstrijd hebben. En: welke rol de trainer zelf heeft, ten opzichte van de kinderen.
Het gaat om het leerproces en de spelbeleving van de kinderen. Kinderen leren het snelst in een veilig leerklimaat. Dat wil zeggen een sfeer waarin het kind de vrijheid heeft om het spel zelf te ontdekken.
Het kind wordt daarbij geholpen door een persoon, de trainer. Die structuur moet heel duidelijk zijn. Zo niet, dan wordt het verwarrend en begrijpen de kinderen niet meer waar zij aan toe zijn. Natuurlijk vinden deze kleine voetballers het fantastisch als ze worden aangemoedigd!
Ouders zijn dus zeker nodig en absoluut welkom langs de lijn. Daarnaast is hulp van de ouders voor de trainer vaak onmisbaar. Zolang de kinderen zichzelf nog niet kunnen omkleden zin ouders in de kleedkamer onmisbaar.
De leerstructuur moet worden gezien als een volgende stap naar zelfstandigheid en zelfwerkzaamheid. Geef het kind de kans!

Einddoelen leeftijdscategorie (mini-)F pupillen

Technische vaardigheden:

• Ontwikkelen en stimuleren van de eigen schijnbewegingen
• Zuiver passen met de binnenkant van de voet over korte afstanden (mikken)
• Stoppen van de bal met de voetzool en de binnenkant van de voet (2 benen)
• Staand koppen van de bal met het voorhoofd
• Dribbelen met de bal (2 benen)
• De inworp
• Passeren met de binnen- en buitenkant van de voet
• Afschermen van de bal met en zonder weerstand

Tactische vaardigheden:

Herkennen van het verschil tussen aanvallen en verdedigen
• Algemeen vrijlopen
• Aan- en terugsluiten
• Dekken tegenstander aan de binnenkant

[Naar inhoud jeugdbeleidsplan]

Sponsoren